GLOBEVIEW METHODIEK
Vitaliteitsassessment – meten op diepere lagen
De GlobeView®-methodiek start met een vitaliteitsassessment, waarin op basis van acht analysecategorieën meerdere energiebeoordelingen plaatsvinden. Dit assessment is gericht op het meten van patronen op diepere lagen van het lichaamsveld.
Binnen enkele seconden wordt via handscantechnologie informatie uitgelezen over energie- en informatiesystemen, die grafisch wordt weergegeven. Deze metingen vormen de objectieve basis waarop verdere interpretatie en begeleiding plaatsvinden. Tevens wordt de vitaliteitsscan ingezet als monitoringsinstrument. Hiermee wordt de fysieke, mentale en emotionele belastbaarheid gevolgd en worden interventies waar nodig bijgesteld. Daarnaast worden gedrag, patronen en drijfveren geanalyseerd om het leer- en ontwikkelproces te verdiepen en te borgen.
De vier fasen van de GlobeView®-methodiek
De uitkomsten van het vitaliteitsassessment vormen het vertrekpunt voor vier samenhangende fasen. Deze fasen kunnen elkaar opvolgen, gedeeltelijk overlappen of parallel worden ingezet, afhankelijk van het traject, programma of project.
Fase 1 – Bewustwording en inzicht
Van meting naar persoonlijk profiel
In deze fase worden de resultaten van het vitaliteitsassessment geïnterpreteerd en geduid. De uitkomsten van de acht analyses worden vertaald naar een persoonlijk profiel, waarin zichtbaar wordt welke energieblokkades, emotionele en mentale belemmeringen, stressfactoren, omgevingsinvloeden en kwaliteiten een rol spelen.
Deze fase staat in het teken van bewustwording: inzicht krijgen in het eigen functioneren, de onderliggende patronen en het aanwezige potentieel. Het persoonlijk profiel vormt de basis voor een maatwerkplan en markeert de start van het herstel- of ontwikkelproces.
Fase 2 –
Aan de slag: doorbreken van belemmeringen
Van inzicht naar actie
In fase 2 wordt gewerkt met de belemmeringen en stressfactoren die in fase 1 zichtbaar zijn geworden. Dit gebeurt via individuele coaching en, waar passend, in groepsverband. Beperkende patronen worden doorbroken en het vertrouwen in de eigen kracht wordt versterkt.
Deelnemers leren omgaan met stressfactoren en ontwikkelen vaardigheden om hun energieniveau te verhogen. Hierdoor ontstaat ruimte om stappen te zetten in persoonlijke ontwikkeling, re-integratie of herstel.
Fase 3 – Versterken van veerkracht
Van herstel naar stabiliteit
In deze fase ligt de focus op het versterken van de persoonlijke veerkracht. Met behulp van interventies, technieken en instrumenten worden zelfregulerende vaardigheden geïntegreerd in het dagelijks leven.
Er ontstaat opnieuw contact met lichamelijke signalen, de belastbaarheid neemt toe en er ontstaat helder inzicht in wat ondersteunend en voedend is. Dit draagt bij aan stabiel functioneren en duurzame deelname aan werk en samenleving.
Fase 4 –
Nieuwe koers vanuit eigen kracht en biologische identiteit
Van innerlijke stabiliteit naar belichaamd, toekomstgericht handelen
In deze fase wordt bewust gehandeld vanuit de biologische blauwdruk: het natuurlijke energieniveau, het persoonlijke ritme, de aangeboren belastbaarheid en lichamelijke signalen die altijd aanwezig zijn geweest. De eerdere fasen hebben de voorwaarden gecreëerd om deze blauwdruk niet alleen te herkennen, maar er ook daadwerkelijk naar te handelen in het dagelijks leven.
De deelnemer leert de toegenomen zelfregulatie, het lichaamsbewustzijn en de innerlijke samenhang actief toe te passen. Door ervaring op te doen in realistische en soms complexe situaties, wordt geoefend met het aangaan van nieuwe uitdagingen zonder terug te vallen in oude patronen van stress, aanpassing of overbelasting. Het lichaam fungeert hierbij steeds vaker als richtinggevend kompas.
In deze fase richt de deelnemer zich op het versterken van toekomstgerichte vaardigheden die nodig zijn om duurzaam te functioneren in een veranderende wereld. Deze vaardigheden worden toegepast binnen concrete contexten zoals terugkeer naar werk, (her)intreden in opleiding, re-integratie of het leveren van een betekenisvolle maatschappelijke bijdrage. Persoonlijke effectiviteit, zelfsturing, adaptief vermogen en het bewust inzetten van talenten en kwaliteiten staan hierbij centraal.
Door blijvend te handelen vanuit de biologische identiteit ontstaat een duurzaam fundament voor inzetbaarheid, ontwikkeling en maatschappelijke participatie, waarbij overbelasting wordt voorkomen en het individu vanuit eigen kracht richting kan blijven geven aan werk, leren en leven.